"Tegen de
berusting"
Op 25 maart 1970 werd door 33 prominente theologen de verklaring
"Tegen de berusting" getekend. De Zwitserse theoloog Hans Küng
was daarvan de initiatiefnemer.
De verklaring begint zo:
"De katholieke kerk bevindt zich midden in een gecompliceerde
bestuurs- en
vertrouwenscrisis .... De leiding van de kerk, die in de tijd
van het concilie oude en
nieuwe problemen had aangepakt en in een verwonderlijk groot
aantal tot oplossing
had gebracht, lijkt in de tijd na het concilie niet in staat, in
zo dringende kwesties als
gerechtigheid en vrede in de wereld en de crisis van het ambt in
de kerk tot
constructieve resultaten te komen; de op zich perifere
celibaatswet is ten onrechte
een testvraag voor de vernieuwing van de kerk geworden." ... De
oorzaken van de
tegenwoordige bestuurs- en vertrouwens-crisis liggen niet
eenvoudig bij bepaalde
personen, maar in de ontwikkeling van het kerkelijk systeem
sinds de Middeleeuwen.
Maar de crisis kan alleen hierdoor overwonnen worden, dat de
hele kerk "zich
opnieuw op haar centrum en fundament bezint: het evangelie
van Jezus Christus,
waarvan ze is uitgegaan en dat ze in elke nieuwe situatie
opnieuw moet leren verstaan
en beleven".
Hans Küng stelt zich de vraag: is een serieuze hervorming,
gezien de overmacht en de
geslotenheid van het kerkelijk systeem eigenlijk wel mogelijk?
We zouden ook
bisschoppen en zielzorgers moeten aanspreken.
De Verklaring: "Tegen de berusting" geeft daarvoor vijf
oriëntatiepunten:
1.
Niet zwijgen:
iedereen in de kerk, ambtsdrager of niet, man of vrouw, heeft
het recht en vaak de plicht over kerk en kerkleiding te zeggen,
wat hij denkt en
hij nodig acht om te doen. "Die bisschoppen - en zij vormen
binnen de
nationale bisschoppenconferenties vaak een sterke minderheid of
zelfs de
meerderheid -- , die bepaalde wetten, verordeningen en
maatregelen als een
onheil beschouwen, zouden dat in alle openheid moeten uitspreken
en steeds
duidelijker naar een verandering moeten verlangen"
2.
Zelf handelen:
niet alleen maar klagen over Rome, maar zelf iets doen: "Of
iemand nu pastoor, kapelaan of leek is - ieder lid moet zelf
binnen het eigen
kleinere of grotere milieu iets doen om de ken;
~ę
vernieuwen. Veel grote
dingen in de gemeenten of in de hele kerk zijn door initiatieven
van individuen
tot stand gekomen. En juist in de moderne maatschappij heeft het
individu
mogelijkheden, het kerkelijk leven positief te beďnvloeden. Op
verschillende
manieren kan iemand aandringen op betere vieringen,
begrijpelijker prediking
en aan de tijd aangepaste zielzorg, op oecumenische integratie
van gemeenten
en een christelijk engagement in de maatschappij".
3.
Gemeenschappelijk optreden:
de officieel opgerichte parochieraden,
priesterraden, pastorale raden zouden in gemeenten, bisdommen en
landen
een machtig instrument van vernieuwing kunnen worden, maar
evengoed ook
de vrije groepen van priesters en leken, om bepaalde wensen in
de kerk te
helpen realiseren: "Één parochielid, dat naar de pastoor gaat,
telt niet, vijf
kunnen lastig worden, vijftig veranderen de situatie. Één
pastoor in een
diocees telt niet, naar vijf wordt geluisterd, vijftig zijn niet
te verslaan".
4.
Streven naar tussenoplossingen:
veel hervormingen zijn door druk van
onderaf tot stand gekomen, druk uitoefenen op kerkelijke
gezagsdragers in de
geest van christelijke broederlijkheid is legitiem. "Waar een
maatregel van het